www.positief.nu

Monday, January 15, 2007

Zelfstandig kind vraagt andere onderwijsvormen

bron: De Volkskrant, 11 januari 2007
auteur: Lizzy Tabbers, senior adviseur bij KPC Groep en auteur van het boekje: Dit is zó leuk, mág dat wel? Over de start van een nieuwe school met een nieuw concept.

Het nieuwe leren is geen gril van de politiek of ambtenaren, maar reageert op wetenschappelijke inzichten en kinderen die opgroeien in een maatschappij met meer keuzemogelijkheden en gelijkwaardigheid, zegt Lizzy Tabbers.

In discussies over het Nieuwe Leren wordt steevast de indruk gewekt alsof er nog iets te kiezen valt, maar dat is niet het geval. Het gaat namelijk niet om een willekeurig idee dat afkomstig is van bijvoorbeeld de minister, hoge ambtenaren of organisatieadviseurs - zoals door sommigen wordt gesuggereerd - maar om een heuse paradigma shift. Daarmee wordt bedoeld dat een collectieve visie op een deel van de werkelijkheid wordt vervangen door een andere, genuanceerder visie. Dat is een historisch proces dat zich veel meer áán ons voltrekt dan dat wij het zelf sturen. Dat gaat nooit zonder slag of stoot.

Zo’n omwenteling wordt altijd veroorzaakt door meer factoren. Voor het nieuwe leren zijn dat bijvoorbeeld: een andere wetenschappelijke kijk op leren; het besef dat willen tot diepgaander kennis leidt dan moeten; dat feitenkennis tegenwoordig snel veroudert en leerlingen het niet meer alleen daarvan moeten hebben; dat televisie en computerprogramma’s zo flitsend zijn dat klassikale lessen nog maar zelden kunnen boeien.

De belangrijkste reden voor deze paradigma shift is dat het kind tegenwoordig wordt gezien als een zelfstandig wezen met een eigen wil. Dat begint al op de peuterleeftijd als het ‘s morgens wordt gevraagd wat het wil aantrekken, wat het op zijn brood wil, welk pakje drinken het mee wil naar de crèche en ga zo maar door. Waar mensen in de jaren vijftig zich nog over de wandelwagen bogen met de vraag ‘of het willetje al was gebroken’, hééft het kind anno 2006 niet alleen te willen maar móet het ook voortdurend keuzen maken.

Vervolgens komt het op school waar het van negen tot drie en van minuut tot minuut moet doen wat de juffrouw wil. Aanvankelijk lukt dat nog wel, omdat jonge kinderen in hoge mate afhankelijk zijn van de goedkeuring van volwassenen. Maar naarmate het kind opgroeit en buiten schooltijd keuzemogelijkheden te over heeft (aan televisiezenders, computerprogramma’s, verenigingen, kledingmerken et cetera), valt het de leerling steeds moeilijker op zijn leerproces géén invloed uit te mogen oefenen. Elke dag groeit de discrepantie tussen de rol die docenten vervullen (het boek centraal stellen, de leerling afhankelijk houden, het bevorderen van geheugenkennis) en de rol die ze zouden moéten vervullen (de leerling centraal stellen, hem medeverantwoordelijkheid geven voor zijn eigen leerproces, diepgaand leren bevorderen).

Daarom en om al die andere redenen heeft het nieuwe leren zijn point of no return allang bereikt. Honderden basisscholen en tientallen scholen voor voortgezet onderwijs zijn al jaren serieus bezig het onderwijs beter te laten renderen voor de Homo Zappiëns van deze tijd. Daarbij is geen sprake van gemakzucht, verwennerij, of een mentaliteit van ‘laat maar waaien’, noch van het niet belangrijk vinden van prestaties, noch van maatschappelijk relevant geachte kennis die niet meer aan bod zou komen. Wie het tegendeel beweert, zou zich moeten bezinnen op zijn werkelijke motieven voor het doen van deze uitspraken.

Bij deze omwentelingen en de emoties die ze oproepen, is het van belang te onderkennen dat het in essentie niet gaat om een verandering op inhoudsniveau, maar om een verandering op betrekkingsniveau. Als het om een verandering op inhoudsniveau zou gaan, dan heeft het zin te discussiëren over de vraag of invoering ervan nu wel of niet goed is voor het gezin, het land of het onderwijs.

Maar daarom draait het niet. Het gaat om een verandering op betrekkingsniveau. Dat wil zeggen dat ooit normaal gevonden verhoudingen niet langer als ‘goed’ worden ervaren. Het besef dringt door dat het niet langer kán dat de man zich boven de vrouw verheft, de blanke boven de zwarte, de pastor boven de gelovige, de arts boven de patiënt. Stuk voor stuk worden die betrekkingen, die verhoudingen, aangevochten en gelijkwaardig gemaakt. Niet gelijk. De man, de blanke, de pastor en de arts behouden hun specifieke kwaliteiten voor zover zij die bezitten. Het verschil is dat die kwaliteiten niet langer als een geldig excuus gezien worden om eenzijdig te bepalen wat goed is voor de ander.

En dan is het nu de beurt aan de leerkracht van zijn hoge troon af te komen. De reacties zijn voorspelbaar, want dezelfde als bij de eerder genoemde veranderingen: ‘Ze kunnen het niet’ (vrouwen/ negers/ leerlingen hebben minder capaciteiten dus kun je ze niet als gelijkwaardig behandelen); ‘Ze willen het niet’ (vrouwen/negers/leerlingen willen ook zelf liever niet die verantwoordelijkheid dragen); ‘Het gezin/ het land/ het onderwijs gaat eraan’ (rampspoed zal ons deel zijn als deze opvatting algemeen wordt geaccepteerd).

Even voorspelbaar is de oprichting van een vereniging als B.O.N (Beter Onderwijs Nederland) die - wat betreft het in stand willen houden van achterhaalde verhoudingen - op een lijn kan worden gesteld met de SGP. Wie het meeste belang heeft bij de status quo, zal zich het meest verzetten. In het geval van het nieuwe leren komt de oppositie vooral van hen die het gymnasium hebben gevolgd en hun docenten. Dat is begrijpelijk.

Leerlingen wordt thuis en op school voorgehouden hoe bevoorrecht zij zijn de hoogste opleiding te mogen volgen. Daarbij krijgen zij twee boodschappen: als je je niet gedraagt zoals wij willen, ga je maar naar een gewone school. Als je je wel gedraagt zoals wij willen, dan mag jij je straks ook verheven voelen. Die boodschappen maken dat leerlingen niet snel in opstand te komen en dat docenten (de goeden niet te na gesproken) hun verouderde didactiek niet hoeven opgeven. Het volgen en geven van een klassikale klassieke opleiding door en voor speciaal daarvoor geselecteerde leerlingen is dus voor alle betrokkenen lonend en heeft een hoog Ons Soort Mensengehalte.

Logisch dat deze opponenten strenge selectie en een klassikale aanpak verdedigen en in stand willen houden. Terwijl intussen ieder weldenkend mens ziet dat deze intelligente kinderen zo veel méér hadden kunnen leren bij een activerend, betekenisvol en meer zelfsturend onderwijsaanbod. Helaas of gelukkig, de historie stoort zich niet aan dit soort belangen. Het begint bij leerkrachten en ouders te dagen dat de leerling natúúrlijk een partner is in zijn leerproces en als zodanig moet worden behandeld. Die benadering leidt dan soms tot verrassende initiatieven, zoals de vraag van een aantal kinderen uit groep 8 naar een module Frans. Het is dus niet uitgesloten dat sommige leerlingen van het vmbo straks óók een module Latijn of Grieks willen volgen. Wie zich zorgen maakt om het niveau van het onderwijs, de classicus voorop, zal dat vast en zeker een fantastisch perspectief vinden. Dat er voor zo’n soort degelijk en modern onderwijs ruime scholen nodig zijn, veel activerende materialen, voldoende en goed geschoold personeel, zal niemand ontkennen. Ook de minister niet, ook de hoge ambtenaren niet, ook de organisatieadviseurs niet. Het benodigde geld daarvoor komt er wel; ook dat is gelukkig voorspelbaar.



Een tweede artikel in dezelfde krant:

Onderwijs lijdt aan vormfetisjisme
bron: De Volkskrant, 11 januari 2007
Jan Blokker jr. was directeur van de OSG West-Friesland in Hoorn.

Door bezuinigingen en autonomisering van schoolbesturen is het onderwijs in een crisis terechtgekomen. Scholen proberen die te bezweren door vormveranderingen. Tijd voor een tegenoffensief, vindt Jan Blokker jr.

Begin december van het vorig jaar verscheen een studie van het Sociaal en Cultureel Planbureau onder de titel Investeren in Vermogen. In het rapport wordt aandacht besteed aan enkele zogenoemde inspirerende voorbeelden en kansrijke perspectieven op uiteenlopende terreinen. Onder andere op het terrein van het onderwijs.

Het rapport ademt een sfeer van optimisme. Je hoeft niet heel erg cynisch aangelegd te zijn om die blijheid met een zekere argwaan aan te zien. Ik moet in dit verband steeds denken aan die mooie sketch van Monty Python over Happy Valley, geregeerd door de wijze koning Arthur, die al lang geleden alle kankerpitten ter dood heeft gebracht en de vakbondsleiders het land heeft uitgejaagd. Nu is iedereen blij in Happy Valley. Een man die zachtjes op straat loopt te huilen omdat zijn vrouw zojuist is overleden, wordt veroordeeld to be hanged by the neck until you cheer up.

Een bespreking in deze krant van het rapport (7 december 2006) noemt drie inspirerende voorbeelden op het terrein van het onderwijs: de toename van het aantal gymnasia (in het bijzonder in bestaande scholengemeenschappen), een toenemend aantal zogeheten technasia, en een welhaast explosieve groei van het aantal vwo-scholen waar tweetalig onderwijs wordt gegeven. Het rapport noemt meer voorbeelden van onderwijsvernieuwing waarmee scholen zich profileren, competentiegericht leren, sportscholen, cultuurscholen, wat al niet.

In het voortgezet onderwijs gaat het al enige tijd niet meer om de kwaliteit, maar vooral om de vorm. Scholen bestrijden elkaar op de kindermarkt door zich te profileren met aansprekende, doorgaans vernieuwende vormen van onderwijs. ‘Vernieuwing’ is het toverwoord, goed onderwijs is allang niet meer genoeg, bovendien heeft goed onderwijs de geur van behoud om zich heen. En wie wil er tegenwoordig nog beschuldigd worden van behoudzucht.

Doorgaans wijzen vernieuwers van diverse pluimage naar recent wetenschappelijk onderzoek om hun gelijk te halen. Kinderen, verklaren zij, leren beter wanneer je de vorm aanpast. Kinderen die het in het regulier onderwijs niet of niet zo goed redden, behalen aanzienlijk betere resultaten in een vernieuwde setting, zeggen zij. En iedere ouder wenst zijn kind immers het allerbeste toe.

Met een verwijzing naar recent wetenschappelijk onderzoek wordt degene die twijfelt aan de waarde van de vernieuwing in de hoek gezet als onwetenschappelijk, of niet zo heel erg slim, of achterhaald (en daarmee slecht). En dan ben je als criticus gauw uitgepraat. Moeten we blij zijn met al die nieuwe vormen van onderwijs? Ik dacht het niet. Om te beginnen dat technasium. Wat kan dat betekenen? Het Griekse woordje techné betekent handwerk of ambacht, kunstwerk of, meer algemeen, het uitoefenen van een beroep. Technasium zou dan dus zoiets moeten betekenen als ‘ambachtschool’ of ‘beroepsonderwijs’. Maar dat zal toch wel niet de bedoeling zijn.

Uit het rapport van het CPB blijkt dat het gaat om scholen die, georganiseerd in een netwerk van ten minste vijf deelnemers, en in nauwe samenwerking met overheid, bedrijfsleven en hoger onderwijs in de omgeving, een nieuw vak aanbieden in de onderbouw: Onderzoeken en Ontwerpen (O+O). ‘Leerlingen die het vak volgen,’ schrijft de commissie op blz. 64 van haar rapport, ‘krijgen per jaar vier onderzoeks- of ontwerpopdrachten, waaraan ze zeven weken werken. Het is de bedoeling dat leerlingen zelf de theoretische kennis verzamelen om de opdrachten te kunnen uitvoeren. Leraren in de bètavakken worden geacht enige afstand te nemen van hun vak en vervullen vooral een rol als begeleider (Hagers 2005).’

Van een grote afstand slaat je de stank van modieuze leeghoofdigheid in het gezicht. Het technasium is een zeepbel van pretenties. Er lijkt een verband met het gymnasium, maar díe opleiding biedt een samenhangend geheel van kennis; mathematica en fysica horen daar gewoon bij. Het technasium voegt daaraan niets toe, behalve docenten die worden geacht enige afstand te nemen van hun eigen vak (god betere het!) en een nieuwe afkorting (O+O). En vakken met een afkorting daarvan hebben we er al meer dan genoeg.

Is het technasium een lege dop, het tweetalig onderwijs is nog veel erger. Het pretendeert leerlingen regelrecht op te leiden voor een internationale pracht-carrière; maar in tegendeel, het onthoudt diezelfde leerlingen de kwaliteit die daarvoor onontbeerlijk is. Ik zal dat uitleggen. De basis van onderricht (wat allerlei onderwijshervormers ook mogen beweren) is de taal.

Een docent zijn taal afnemen staat ongeveer gelijk aan een kreupele beroven van zijn stok. Dan wordt het behelpen, strompelen. In een vreemde taal verandert zelfs de beste docent in een stumper. Hij verliest om te beginnen iedere vorm van humor (daarmee zullen zijn betogen gortdroog worden) en daarna alle nuance. De kwaliteit van zijn werk gaat onherroepelijk met reuzenstappen achteruit.

Ik ken een docente klassieke talen, zo Hollands als maar zijn kan, die (het is al weer meer dan tien jaar geleden) op een katholieke school in het Gooi tweetalig Latijn moest onderwijzen aan brugklassers. Kan een classica uit Noord- Holland aan Gooise pubers de beginselen van het Latijn op adequate wijze overbrengen? Nee natuurlijk. Het is het inbouwen van een extra handicap bij een toch al niet zo makkelijk vak; alsof je met een loper achterstand een schaakpartij begint tegen Kasparov. Maar de rector van die school vond het kennelijk chic en de ouders stonken er in.

Het onderwijs is in een diepe crisis terechtgekomen als gevolg van de systematische onderbetaling van de sector, al decennialang, en van de autonomisering die maakt dat schoolleidingen zelf mogen uitzoeken hoe ze aan leerlingen komen. In hun paniek om niet terug te lopen in leerlingenaantal kiezen scholen voor vormveranderingen die kennelijk zonder al te veel moeite aan ouders zijn te verkopen. Kwaliteit is niet sexy; scholen kunnen zich er niet mee profileren; met een technasium of met tweetalig onderwijs kunnen zij dat kennelijk wel. Het wordt tijd (als het niet al te laat is) voor een tegenoffensief. Ligt hier niet een dankbare taak voor een overheid die durft in te grijpen?

Posted by sattwa on 01/15 at 01:54 PM
(0) Comments • (0) TrackbacksPermalink